Geschiedenis Oosterhout

De naam Oosterhout komt voor het eerst in 1213 op papier voor, maar sinds 700 voor Christus  vind er al continu bewoning plaats. Er zijn twee theorien waardoor Oosterhout  zijn naam aan heeft te danken.

De eerste theorie is dat het komt doordat de plaats ten oosten van Den Hout ligt. De tweede theorie is dat Oosterhout ten oosten van bos of hout ligt. Oosterhout is dan gesticht op een voor landbouw geschikte plek ten oosten van een voor landbouw ongeschikt stuk bos.

Oosterhout was in het begin een kleine boerengemeenschap dat zich geleidelijk van de andere dorpen uit de omgeving heeft onderscheiden en uitgegroeid was tot een belangrijk centrum voor de omliggende dorpen en gehuchten. Omstreeks 1750 was Oosterhout na Breda de tweede stad in het Land van Breda, het telde in 1742  4767 inwoners. 

De groei komt o.a. door de centrale ligging tussen een aantal dorpen en gehuchten en de ligging aan de verbindingsweg van het hertogdom Brabant naar het graafschap Holland. Deze route liep van Antwerpen naar Breda en van Breda via de Oude Bredasche Baan naar de Oosterhoutse Markt en vandaar via de Hoofseweg, Batenburg en Sandoel in de buurt van Raamsdonksveer naar de Koepoort in Geertruidenberg, de zuidelijkste vestingstad van het graafschap Holland.

Willem van Duvenvoorde, één van de rijkste en invloedrijkste mannen van zijn tijd, heeft veel gedaan voor de economische ontwikkeling van Oosterhout. Willem werd omstreeks 1290 in Haarlem geboren als een buitenechtelijk kind, een bastaardzoon, van Philips van Duvenvoorde, heer van Polanen, uit het adellijke geslacht Wassenaar. In dienst van de graaf van Holland maakte hij snel carrière. Hij wist in korte tijd een enorm vermogen te vergaren. Hierdoor kon hij in de eerste helft van de 14e eeuw één van de machtigste geldschieters van West-Europa worden. Veel vorsten, o.a. de keizer van het Duitse Rijk, leenden grote bedragen van hem.

Oosterhout maakte toen al eeuwenlang deel uit van het graafschap Strijen, dat een groot deel van noord-westelijk Brabant en het zuidelijk deel van Holland omvatte.  Oosterhout maakte toen al eeuwenlang deel uit van het graafschap Strijen, dat een groot deel van noord-westelijk Brabant en het zuidelijk deel van Holland omvatte. De dochter van Aleida, Beatrix van Strijen en Putten, verkocht in 1324 het kasteel aan Willem van Duvenvoorde, die een jaar later van de Heer van Breda ook de Heerlijkheid Oosterhout kocht. Daarmee werd hij Heer van Oosterhout. Als Heer van Oosterhout liet Willem van Duvenvoorde niet ver van zijn kasteel in 1330 een haven graven, die voor de handel van groot belang was. Het Huis ten Strijen stond via kleine watertjes in verbinding met de haven. Hierdoor beheerste het kasteel niet alleen de weg van Brabant naar Holland, maar ook de verbinding over het water.

Na enkele kinderloze huwelijken kwam het Huis ten Strijen in bezit van Johanna van Polanen, die in 1403 trouwde met Engelbrecht, graaf van Nassau. Zij woonden in Breda en lieten het kasteel beheren door een slotvoogd, een kastelein.
Het werd verwaarloosd en verviel geleidelijk tot een ruïne.

Kasteel StrijenSlotbosse Toren

In het begin van de zeventiende eeuw ontstond, vanwege de aanwezigheid van geschikte leem in de grond, een uitgebreide pottenbakkersindustrie die voor de export naar Holland en Zeeland werkte. Deze bedrijfstak bloeide tot diep in de 19e eeuw. De haven maakte een goede en snelle verbinding met de steden in Holland en Zeeland mogelijk. In de zeventiende en achttiende eeuw werden er verscheidene ambachtsgilden opgericht van bakkers, molenaars, schippers, slagers en bijenhouders. Er waren jaarmarkten en een weekmarkt. Bij de haven was veel vertier.

Oosterhout is bekend wegens zijn 'slotjes', kasteeltjes waarvan er nu nog vijf bestaan. In een van deze slotjes, De Blauwe Camer, wonen sinds 1647 de zusters Norbertinessen van Sint-Catharinadal, nadat de zusters gedwongen waren hun klooster in Breda te verlaten.

Blauwe Camer

Dankzij een speciale bescherming door de prinsen van Oranje mocht Sint-Catharinadal in de Republiek blijven bestaan. Rond 1900 kwamen er twee kloosters bij waarvan de monniken en monialen uit Frankrijk de wijk hadden genomen vanwege de Franse politiek van secularisering. Het waren de Benedictinessen met de Onze-Lieve-Vrouweabdij en de Benedictijnen met de Sint-Paulusabdij. Deze laatste werd in 2006 gesloten waarna de gebouwen in gebruik werden genomen door de lekengemeenschap Chemin Neuf. Het gebied waarin deze drie kloosters zich bevinden wordt De Heilige Driehoek genoemd.

In 1809 kreeg Oosterhout stadsrechten van koning Lodewijk Napoleon.